Charles Dreyfus, geboren 22-09-1874 - vermoord 16-04-1943 Sobibor
Laure Flora Dreyfus, geboren 27-10-1874 - overleden 28-08-1942 Amsterdam
Charles Dreyfus is geboren in Niederbronn-les-Bains in de Elzas. In 1900 trouwt hij in Antwerpen met Laure Flora Bessie Cohen, dochter van een uit Amsterdam afkomstige juwelier en diamanthandelaar en kleindochter van de vooraanstaande Amsterdamse diamantslijper en president van de Diamantslijperij-maatschappij Jacob Joseph Posno. In 1905 wordt in Antwerpen hun dochter Ida geboren. Al voor 1918 vestigt het gezin zich in Nederland, in Bloemendaal. Charles Dreyfus werkt bij de Amsterdamse liquidatiekas, eerst als agent, later als directeur. In 1919 verhuizen zij naar Den Haag. In de Gazette de Hollande, een Nederlandse krant geschreven in het Frans met internationaal bereik, wordt in de jaren 20 en 30 in de ‘society’-rubriek meermaals verhaald over feesten bij de familie Dreyfus, zoals het verjaardagfeest voor dochter Ida in 1927 en het huwelijk van Ida met de Parijse industrieel Paul Dreyfus in mei 1934 waarbij 500 gasten werden ontvangen in het sjieke Smalle Hoche in Parijs. Ook wordt bankdirecteur Charles Dreyfus vermeld als een van de genodigden bij de uitvaart van de schilder Isaac Israëls in 1934.
Vanaf 1933 woont het gezin aan de Waalsdorperweg 78 in Den Haag. Dochter Ida is na haar huwelijk naar Parijs vertrokken. Charles en Laure hebben inwonende dienstmeisjes en huishoudsters en in 1938 komt volgens de gemeentelijke administratie ook hun 2 jarige kleindochter Liliane Dreyfus bij hen inwonen. In mei 1940 vallen de nazi’s Nederland binnen en al in september 1940 worden de niet-arische buitenlanders gesommeerd de kuststrook te verlaten. Charles en Laure Dreyfus hebben de Franse nationaliteit en moeten binnen 5 dagen hun woning in Den Haag verlaten. Hoe dat vertrek precies is verlopen is niet terug te vinden, maar in juni 1941 woont echtpaar Dreyfus aan de Van Ostadelaan 1 in Bilthoven. Hun dochter Ida Dreyfus woont dan in Zeist samen met haar dochtertje Liliane. Charles en Laure verhuizen vervolgens naar Rembrandtplein 5 waar ze de woning delen met Friedrich Kahn (1907) uit Bischofsheim, jurist en vluchteling.
In 1942 wordt het merendeel van de Joodse inwoners van de Bilt en Bilthoven gedwongen uit de gemeente te vertrekken en zich in Amsterdam te vestigen. Ze mogen niet meer meenemen dan een koffer met wat persoonlijke spullen, alle huisraad moet achterblijven. Vóór vertrek geven Charles en Laure Dreyfus aan de in Bilthoven wonende Jacob Balk een schilderij in bewaring. In Amsterdam worden zij ingeschreven op Velasquezstraat 12 en kort daarna op 28 augustus 1942, overlijdt Laure Dreyfus-Bessie Cohen, 67 jaar oud. De omstandigheden van haar dood zijn niet bekend, zij wordt begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg. Charles blijft achter in Amsterdam totdat hij wordt opgepakt en op 1 april 1943 gedeporteerd naar Kamp Westerbork. Op 13 april 1943 moet hij op transport naar vernietigingskamp Sobibor. In de trein zitten nog 1203 andere mannen, vrouwen en kinderen, Allen worden kort na aankomst op 16 april 1943 in Sobibor in de gaskamers vermoord, Charles Dreyfus is dan 68 jaar oud.
Nabestaanden
Dochter Ida en kleindochter Liliane duiken in de tweede helft van 1942 onder. Liliane wordt ondergebracht bij kindertehuis Zonneschijn aan de Oranje Nassaulaan 71 in Zeist. Naar verluidt wordt zij daar slecht behandeld en komt zij daardoor te overlijden in november 1943, 7 jaar oud. Zij wordt begraven in de tuin van het kindertehuis. Haar moeder is nog ondergedoken en krijgt op 12 november 1943 een zoon, Robert Lodewijk. Ida en baby Robert worden echter opgepakt en komen op 12 januari 1944 in Kamp Westerbork terecht. Op 25 januari gaan beiden op transport naar Auschwitz waar zij direct na aankomst op 28 januari 1944 worden vermoord, Ida 38 jaar oud, Robert 2 maanden oud.
Schoonzoon Paul-Henri Dreyfus overleeft de oorlog. Zijn verhaal is onbekend. Hij overlijdt in 1981 in Toulon, Frankrijk.
Friedrich Kahn, de huisgenoot in Rembrandtplein 5, overleeft in onderduik de oorlog.
In 1948 overhandigt Jacob Balk het schilderij dat beschreven wordt als een voorstelling van Joodse mensen in gebed in een synagoge, aan de rechtmatige erfgenamen van de familie Dreyfuss. Hij krijgt een hiervoor een handgeschreven verklaring van ontvangst.
ET