Else Schürmann, geboren 23-11-1898 - vermoord 30-04-1943 Sobibor
Else Schürmann is geboren in Vlotho am Weser in Duitsland. Zij vlucht in 1936 vanuit Düsseldorf naar Den Haag waar haar oudere broer Bruno al sinds 1934 met zijn gezin woont. Bruno Schürmann heeft een snoerenzaak aan de Kalvermarkt. In het Haags archief staat zij te boek als inwonende dienstbode maar Else gaat in dienst bij de familie Dunkelgrun aan de Prinses Mariestraat 9 in Den Haag die een textielbedrijf aan huis hebben. Menasche Dunkelgrun, zijn vrouw Miriam en hun drie kinderen wonen op de eerste drie verdiepingen en op de vliering is het atelier waar zestien meisjes achter naaimachines gordijnen maken en ook de voorraden stoffen liggen. In de Haagse courant van april 1936 doet Dunkelgrun een oproep voor naaisters en leermeisjes. Mogelijk is Else hier op afgekomen en leert zij op de zolder gordijnen naaien. Lang is zij daar niet gebleven want vier maanden later trekt ze bij haar oom en tante Isidor en Martha Schwarz-Schürmann aan de Spaarnsetraat 51 in Den Haag en een maand later vertrekt ze naar Voorburg waar ze als hulp in de huishouding bij familie van Hessen aan Bilderdijklaan 33 gaat werken. In februari 1939 keert ze terug naar Den Haag om bij Heinrich en Karl Sonnenberg aan de Violenweg 2 als dienstbode aan de slag te gaan. Een jaar later valt het Duitse leger Nederland binnen. Begin september 1940 verordonneert de bezetter dat alle Duitse vluchtelingen de kustzone binnen vijf dagen moeten verlaten. Else moet op stel en sprong Den Haag verlaten en komt in Bilthoven terecht op Rembrandtplein 7. Hier vinden ook andere Joodse vluchtelingen een onderkomen: het echtpaar Max ( Moses) Wolf (1905) en Bertha Wolf-Kornmehl (1911) met hun twee zoontjes en Sara Hudes Tenzer (1911).
Na een jaar in Bilthoven verhuist Else Schürmann op 7 oktober 1941 naar de Prinses Marielaan 6 in Baarn waar ze weer als hulp in de huishouding gaat werken. In het Utrechts archief bevindt zich een brief van de burgemeester van Baarn aan de Duitse bezetter die haar verhuizing aangeeft, de gemeentes waren verplicht adreswijzigingen van Joodse inwoners door te geven. We kunnen aannemen dat Else Schürmann in 1942 door de bezetter verplicht is naar Amsterdam te verhuizen. Op haar persoonskaart van de Joodse Raad is haar Baarnse adres veranderd in het Amsterdamse adres Cornelis Anthoniszstraat 72 maar in de burgerlijke stand-gegevens van het Amsterdams archief komt zij niet voor. Waarschijnlijk gaat zij in Amsterdam in onderduik en wordt ze een koerierster voor het verzet. Dat loopt verkeerd. Volgens de getuigenis van haar neef Gerd is zij in de herfst van 1942 gearresteerd in een trein ergens in het Gooi met verschillende distributiekaarten bij zich. Else wordt naar de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat in Amsterdam gebracht waar neef Gerd nog geprobeerd heeft haar vrij te krijgen. Via de Hollandse Schouwburg komt Else uiteindelijk op 20 april 1943 in Kamp Westerbork aan. Waar zij in de tussentijd opgesloten heeft gezeten is niet bekend. Op 27 april 1943 wordt zij op transport gezet naar het vernietigingskamp Sobibor. Van de 1204 mannen, vrouwen en kinderen in dit transport keert niemand terug. Else is direct na aankomst op 30 april 1943 in de gaskamer vermoord, 44 jaar oud.
Nabestaanden
Het gezin van de broer van Else, Bruno Schürmann en zijn vrouw Selma en hun zoons Werner en Carl zijn in Auschwitz vermoord. Alleen de oudste zoon Gerd, de neef van Else, heeft de oorlog in onderduik overleefd. Hij is in 1994 overleden.
De andere bewoners van Rembrandtplein 7
Sara Hudes Tenzer weet via België en Frankrijk te vluchten naar Zwitserland waar zij in november 1942 aankomt. Zij heeft daar in een vluchtelingenkamp gezeten en de oorlog overleefd. Hoe dat precies is verlopen en hoe het verder met haar is gegaan, is onbekend.
Het gezin Max en Bertha Wolf-Kornmehl en hun zoons Manfred en Siegfried van 10 en 7 jaar oud, zijn in september 1942 voor de gemeente spoorloos verdwenen, zij zijn dan al maanden eerder gevlucht. Hun vlucht staat beschreven in het in 2023 verschenen boek De Vluchtelingenrepubliek. Een migratiegeschiedenis van Nederland:
‘De vlucht van het gezin Wolf, bestaande uit ouders Max en Bertha en zoons Siegfried en Manfred. Zij verlieten Nederland per trein, bereikten bezet Frankrijk en kruisten de demarcatielijn te voet. Hun oversteek was gevaarlijk: om de zoveel meter droeg hun passeur hun op om zich op de grond te laten vallen om te voorkomen dat de honden van de grensbewakers hun geur zouden oppikken. De koude, modderige nacht met het geblaf van de waakhonden en de angst van zijn ouders kan Manfred Wolf zich tot op de dag van vandaag helder voor de geest halen. Na de oversteek bereikte het gezin in april 1942 Nice, waar zij een tijd verbleven. Hun leven leek daar weer bijna normaal te worden: er waren andere familieleden en hoewel zij geen Frans spraken, gingen de kinderen naar school. Maar voor hen en andere vluchtelingen gold dat de Duitse dreiging bleef: velen waren terecht bang dat de Duitsers elk moment Vichy-Frankrijk konden bezetten en Max Wolf zette de zoektocht naar geldige papieren en visa voort. Uiteindelijk kwam hij in contact met Sally Noach, die tijdens de oorlog honderden joodse en niet-joodse Nederlandse vluchtelingen aan papieren voor hun vlucht hielp. Hij kon deze verstrekken door zijn werk als tolk-vertaler voor het Office Neérlandais in Lyon, een uitgeklede versie van de voormalige consulaten. Noach verstrekte aan de familie Wolf de papieren waarmee zij alle benodigde documenten konden bemachtigen om de Spaanse grens over te steken. Zo bereikten zij uiteindelijk Spanje, vanwaar zij vervolgens doorreisden naar Lissabon.
Onderweg had de familie Wolf gehoord over een schip dat hen naar Suriname zou kunnen brengen. Uiteindelijk wisten de ouders Wolf opnieuw de benodigde documenten te bemachtigen en mochten zij aan boord van het Portugese schip Nyassa. Dit schip verliet Lissabon op 5 december 1942, waarna het nog aanmeerde bij de haven Leixões bij Porto, om op 10 december te beginnen aan de oversteek naar Suriname.’
Na een kort verblijf in een opvangkamp in Suriname in 1943 komt de familie Wolf vervolgens op Curaçao terecht, waar Max en Bertha in een winkel gaan werken waar van alles (kammen, jurken, schoenen, lakens, tafelkleden etc.) werd verkocht, die ze uiteindelijk van de eigenaar konden overnemen. Manfred en Siegfried gaan later naar de Verenigde Staten om daar te studeren en zich te vestigen. Bertha Wolf-Kornmehl overlijdt in 1959 op Curaçao, Max Wolf in 1980 in San Francisco. Zoon Manfred Wolf doceert Engels aan de universiteit van San Francisco. In 1977 is hij gepromoveerd aan de Universiteit Leiden. Hij heeft een boek geschreven over de vlucht uit Bilthoven en zijn tijd op Curaçao: Survival in paradise. Sketches form a refugee life in Curacao (2014). Hij heeft het boek opgedragen aan de herinnering aan zijn broer, Siegfried Robert Wolf (1932 - 2012). Manfred Wolf overleed in december 2025 op 90-jarige leeftijd in San Francisco.
ALIJ